Tag Archives En op pad!

Chihuly in Groningen

by

In het Groninger Museum vond van 8 december 2018 tot 5 mei 2019 een grote overzichtstentoonstelling plaats van het werk van glasblazer Dale Chihuly. Het was de grootste museumtentoonstelling van zijn werk in Europa in 20 jaar, bestaande uit 16 installaties. Ik moest toch in Groningen zijn, en besloot de tentoonstelling te bezoeken:

Niet te missen.

“Nijima floats”. De naam verwijst naar de glazen visnet-dobbers die Dale Chihuly in zijn jeugd in Tacoma aan zag spoelen aan de kust. Deze glazen dobbers komen oorspronkelijk van het eiland Nijima. De glazen bollen in deze installatie zijn echt enorm: de grootste bollen hebben een doorsnee van bijna een meter. De foto doet ze eigenlijk geen recht, mensen vielen echt stil toen ze deze eerste ruimte in liepen en deze installatie zagen.

De “Grand stairwell installation”. Dit stuk is speciaal voor het trappenhuis van het museum ontworpen, en bestaat uit een zeventigtal glazen objecten, die tussen de 8 en 15 kilo per stuk wegen. Deze installatie is overigens aangekocht door het Groninger Museum, en zal daar te zien blijven.

Deze objecten zijn duidelijk geïnspireerd door het onder water leven, althans, dat was wat ik erin zag.

Dit enorme werk (ook weer meer dan een meter hoog) was zó verbijsterend mooi, dat ik er tien minuten naar ben blijven kijken. De kleuren, de vormen, het feit dat dit geblazen glas is en geen keramiek.

“Mille fiori” (= “duizend bloemen”), een tuin vol organische vormen geblazen uit glas. Hoewel het niet mijn gewoonte is om mensen op foto’s te hebben, is het in dit geval handig dat er rechts iemand staat: dat geeft een indruk van hoe gigantisch dit verzamelwerk is.

“Sapphire Tumbleweeds”, een installatie gemaakt van rechte, fabrieksgeblazen neonbuizen, die door verhitting deze kronkelige vorm gekregen hebben. Ook deze tumbleweeds zijn GROOT: wel meer dan twee meter breed. Door de manier waarop ze gepositioneerd zijn, lijkt het daadwerkelijk alsof ze door de wind worden voortgeblazen.

Dale Chihuly is niet alleen glasblazer, maar ook schilder. Veel van zijn glaswerken bereidt hij dan ook op papier voor, zoals deze “Rotolo”. Deze spoelen (“rotolo” is spoel in het Italiaans) wegen per stuk meer dan 65 kilo en zijn gecompliceerd om te maken: het vereist een geolied team om ze te creëren.

Voor wie zich nu slecht een beeld kan vormen hoe deze werken tot stand komen, of voor wie gewoon geïnteresseerd is, heb ik op YouTube een korte documentaire uit 1988 gevonden, waar het een en ander duidelijker wordt:

Voor wie meer Chihuly wil:

Chihuly homepage

Chihuly Garden and Glass (permanente tentoonstelling in Seattle)

Diverse boeken met/over zijn werk

Informatie van het Groninger Museum over de tentoonstelling, met beeldmateriaal

***

Disclaimer: zoals op alle “En op pad!” posts is ook op deze post “zelf geboekt, zelf betaald, zelf enthousiast geworden, zelf geschreven”-van toepassing.

Keramiek bij CREA

by

In de zomer van 2018 deed ik bij CREA een week durende zomercursus Toegepaste Keramiek. Daar werd ik zó enthousiast van, dat ik van februari tot en met juni 2019 de 15 weken cursus gedaan heb. Wat ik er zo leuk aan vind? Het tastbare. Eerst heb je niks, nou ja, een homp klei, en dan bouw je daar iets van en dan heb je een object. En bij toegepaste keramiek is het dan ook nog iets waar je wat aan hebt: het “toegepast” betekent dat je gebruiksvoorwerpen maakt, zoals een bord, een kom of een beker. Wat ik ook interessant vind, is dat het materiaal je soms in een heel andere richting “dwingt” dan je zelf in gedachten had. Iets met uit je comfort zone. Maar dan op veilige wijze.

Op de bovenste foto zijn de bakjes/potjes/schaaltjes van respectievelijk rode en fijne klei al wel gebakken, maar nog niet geglazuurd. Op de onderste foto zijn ze dat dus wel. Ik vind het glazuren het spannendste van het hele keramiekproces: je kunt aan het poeder/de substantie namelijk niet zien welke kleur het uiteindelijk wordt. Je enige houvast is het kleurnummer en de naam van de kleur, en de plank met staaltjes:

Het heeft iets magisch om witte emulsie op een voorwerp te smeren en na het bakken pas precies te zien of het geworden is wat je ervan verwacht had:

Hierboven ziet u links het potje en de beker met het glazuur erop, en rechts hoe ze uiteindelijk na het bakken geworden zijn. Fascinerend he? Ook op de bovenste rij foto’s hieronder zijn de potjes links dezelfde als de potjes rechts. Op deze foto lijken de potjes die uiteindelijk nachtblauw geworden zijn, voor het bakken ietwat meer roze dan de potjes die in groen glazuur gedipt zijn, maar in het echt was het verschil nóg minder duidelijk:

Tijdens het maken van je voorwerp moet je rekening houden met het feit dat het voorwerp (minstens) twee keer gebakken wordt: 1 keer “gewoon” en 1 keer tijdens het glazuren. Beide keren krimpt je voorwerp een paar procent, dus je grote bekers en handige bakje voor een waxinelichtje worden… iets kleinere bekers en een bakje voor een gewone kaars.

Behalve grove, fijne, en rode klei, is er ook zwarte klei. Die is “nat” bruinig, maar na het bakken donkerbruin/zwart; iets donkerder dan hierboven op de foto. Het effect met glazuur was heel verrassend, voornamelijk omdat er geen staaltjes van dit glazuur op zwarte klei beschikbaar waren. Hopelijk kan ik in de toekomst een keer een wat groter werk maken van zwarte klei, ben zeer benieuwd hoe dat uitpakt.

Over grotere werken gesproken, hierboven ziet u mijn pièce de résistance (ja, de accentjes heb ik even gegoogled) van de zomercursus: een etagère. De opdracht was: “Maak een etagère” en eh, dat deed ik dan maar. De “kuipjes” heb ik gemaakt door platte plakken klei om papieren bakjes heen te vormen, en de “steunen” zijn ook platte klei tot een kokertje gerold. Het in elkaar zetten was eh, nogal een ding. Lees: ik had nog een kwartier tot het einde van de les, en anderhalf uur tot de tentoonstelling… Ja, paniek. Gelukkig is mijn keramiekjuf de kalmte zelve en hebben we hem binnen 20 minuten in elkaar gezet (foto links), waarna hij gebakken is (foto midden) en uiteindelijk een aantal weken later beschilderd en nogmaals afgebakken (foto rechts). Ik sta er nog steeds versteld van dat hij niet ontploft is in de oven.

En dan last but not least, mijn eindwerkstuk van de voorjaarscursus: de pompoen. Links ziet u het model en de eerste versie, in het midden versie 6 die fris geairbrushed is, en rechts het uiteindelijke produkt. Waar alle andere cursisten binnen 1 les een perfecte replica van een stuk groente of fruit wisten te produceren, kostte het mij maar liefst 4 (delen van) lessen, een boel frustratie, en een uitroep dat ik “die ui” het raam uit ging pleuren, voordat ik (uiteraard met hulp van de docente) mijn ui getransformeerd had tot een heuse pompoen. Zoals ik al eerder schreef: ik ben absoluut geen natuurtalent. Helaas. Gelukkig ben ik wel gezegend met een flinke hoeveelheid doorzettingsvermogen. En ervaring met airbrushen, want het oranje spuiten hielp ENORM voor de transformatie van ui naar pompoen. Waarmee weer bewezen is, dat alles wat je leert, ja, zelfs airbrushen op make up school, je uiteindelijk een keer van pas kan komen.

***
Disclaimer: zoals op alle “En op pad!” posts is ook op deze post “zelf geboekt, zelf betaald, zelf enthousiast geworden, zelf geschreven”-van toepassing.

Met een stok (deel 2 – openbaar vervoer)

by

Reizen met het openbaar vervoer terwijl je een stok gebruikt, is heel Nederland een drama. Instappen in een tram, bus of trein is elke keer weer een gevalletje “jezelf naar binnen hijsen”. Soms moet je zelfs een flinke sprong maken, want de voertuigen staan vaak ver van het perron af, en hebben vaker wel dan niet een trapje. Het uitstappen zou eigenlijk “ejecteren” moeten heten. Met gevaar voor eigen stok/been/leven moet ik me naar buiten werpen, en dan maar hopen fatsoenlijk op mijn nog goede been te landen. Ik had nooit kunnen vermoeden dat mijn vele jaren kunstschaatservaring ooit nog van pas zouden komen.

Waar in- en uitstappen al een toestand is, is overstappen van het ene vervoersmiddel naar het andere een ware hel. Na het uitstappen moet ik me namelijk een weg banen door een kudde haastige mensen richting een volgend voertuig, hopen dat dat voertuig niet plots vanaf een ander perron vertrekt, mezelf er dan weer inhijsen en maar hopen dat ik ergens een zitplek kan bemachtigen. De zitplekken voor ouderen/gehandicapten in de trein zijn prima, maar in de bus zijn ze vaak raar hoog, waardoor ik weer moet hijsen en springen. De persoon die deze zitplekken bedacht heeft, heeft zich duidelijk niet in de fysieke gesteldheid van de doelgroepen die van zo’n plek gebruikmaken verdiept.

Een ander punt wat overstappen een hel maakt, is dat ik mijn overstap meestal niet haal. Het lukt me gewoon niet om in 6 minuten uit te stappen, van spoor 20 naar spoor 3 te strompelen en daar dan weer in te stappen. Dus moet ik eerder van huis en ben ik langer onderweg. Een reis die me gewoonlijk 50 minuten kost, kost me met stok 1 ½ uur, waardoor mijn totale reistijd niet 1 uur en 40 minuten maar maar liefst 3 uur wordt. Vermoeiend. En dan wil ik al helemaal niet meer terugdenken aan de diverse keren dat ik mezelf jankend trappen op en af heb moeten kreupelen, omdat de “lift defect” was, waardoor ik ook mijn “late” overstap miste, en nóg langer onderweg was.

Daar staat dan wel weer tegenover dat verreweg de meeste mensen zeer vriendelijk en behulpzaam zijn als ze zien dat je met een stok loopt. Op 1 hufter na, die me bijna van de roltrap beukte met haar volle tas, was er altijd iemand die voor me opstond, de buschauffeur vroeg om nog even te wachten, mijn tas tilde of een deur voor me openhield. Zo’n stok is overigens een uitstekende gespreksopener: ik ben nog nooit zo vaak aangesproken in het openbaar. De reacties varieerden van “Goeie stok!” tot voorzichtige vragen over “het been”. Een mevrouw zei dat haar zus dezelfde stok had, en een meneer vertelde me de geschiedenis van zijn verlamde arm.

Ondanks mijn diepe afkeer van het “Leren van Leed”-denken, moet ik toegeven dat deze ervaring, behalve pijnlijk en vermoeiend, ook leerzaam is geweest. Ik wist natuurlijk wel dat je door de wereld bewegen moeilijker is als je moeilijk loopt, en wist ook wel dat het vaak schort aan goede voorzieningen voor de minder mobiele medemens, maar ik had de mate en de ernst hiervan enorm onderschat. Want uit het feit dat ik met slechts een kleine, tijdelijke blessure, al zoveel moeite heb om van A naar B te komen, kan ik slechts concluderen dat de groep mensen die uitgesloten worden van zelfstandig deelnemen in het verkeer (en daarmee ook van een deel van het maatschappelijk leven), gigantisch moet zijn. En dat is, nogmaals, Niet Ok.

Hier wat links naar organisaties die daar iets aan proberen te veranderen: