Tag Archives Persoonlijk

Het infarct

by

Noot van de auteur: ik schreef de eerste versie van deze blogpost in februari 2019, bijna 3 jaar na mijn herseninfarct. Die versie heb ik toen niet gepost, omdat ik van mening ben dat het bij dit soort persoonlijke en intense materie beter is om te wachten tot ik er – in tijd, fysiek en/of emotioneel – wat verder van afsta. Nu, twee jaar na die eerste versie, sta ik er inderdaad wat verder van af. Desondanks heb ik lang getwijfeld of ik überhaupt over dit onderwerp moest posten, want het is geen leuk verhaal en ik kan er ook geen leuk verhaal van maken. Ik heb uiteindelijk besloten om het wel te doen, juist omdat het geen leuk verhaal is.

Zowel de media als de maatschappij oefenen namelijk een enorme druk uit om verhalen over ziekte en “genezing” in een bepaalde verhaalstructuur te persen, die nog het meest wegheeft van een sprookje: het is even heel naar, maar daarna krijgt Els (of Marie, of Peter) alle hulp en steun. Alle problemen die Els ooit had, hoe langdurend of ingrijpend ook, raken opgelost. Els krijgt allemaal diepe inzichten die ze nooit eerder had, en het komt niet alleen moeite- en bijwerkingsloos goed met Els, nee, Els’ leven wordt NOG BETER dan het al was! Tot slot concludeert Els dat haar ziekte of ongeval het beste is wat haar ooit had kunnen overkomen en dat ze het voor geen goud had willen missen. Ik snap best dat dit soort verhalen de lezer/toehoorder een fijn opgelucht gevoel geeft, maar het doet in het merendeel van de gevallen geen enkel recht aan de realiteit. Door mijn verhaal te vertellen, wil ik me nadrukkelijk distantiëren van die opgelegde toxisch positieve narrative die ook mij al jaren impliciet en expliciet opgedrongen wordt.

Ik post dit ook in de hoop dat anderen, ziek of niet-ziek, er iets aan hebben. Ik hoop dat mijn verhaal stof tot nadenken verschaft, of allicht bevestigt dat als het op bepaalde ervaringen en gevoelens aankomt, je (wat deze situatie betreft helaas) nooit alleen bent.

Vandaag is het 5 jaar geleden dat ik in het ziekenhuis opgenomen werd met een herseninfarct. Dat is de korte versie. De langere versie is dat ik twee dagen eerder wakker werd met hoofdpijn en over moest geven. Dat vond ik vreemd, want de keren dat ik in mijn leven overgegeven heb, zijn op twee handen te tellen. Ook heb ik nooit hoofdpijn. Door mijn hoofd schoot “Volgens mij heb ik een herseninfarct”, wat minder vreemd is als je weet dat ik jarenlang op de Afdeling Neurochirurgie heb gewerkt. Ik deed in mijn badkamerspiegel de FAST check: hoe ik mijn gezicht ook vertrok, het bleef symmetrisch. Ik tikte met mijn ogen dicht mijn neus aan: ging ook prima. Ik zwaaide met mijn beide armen boven mijn hoofd heen en weer: geen enkel probleem. Ik zei: “Australopithecus”, keek naar mijn wenkbrauwen in de spiegel en dacht: “Meer Cro-Magnon” en moest lachen. Ondertussen masseerde ik mijn achterhoofd, en de pijn trok weg, dus ik concludeerde: niks geen herseninfarct, gewoon verkeerd gelegen en ergens een virus gevangen. Ik was in die dagen gemiddeld om de drie weken ziek, dus ik besloot weer in bed te gaan liggen en te wachten tot het overging.

Op dag 2 leek het inderdaad beter te gaan, maar op dag 3 voelde ik me dusdanig slecht dat ik wist: dit is mis. Dit is heel erg mis. Denken ging moeilijk, praten ging moeilijk, ik stootte overal tegenaan. Ik moest naar de huisarts en die zou me naar het ziekenhuis sturen, dus ik pakte alvast een weekendtas in. Toen ik mijn bril van mijn nachtkastje wilde halen, kon ik hem niet vinden, terwijl ik zeker wist dat ik hem daar had neergelegd. Misschien was hij onder het bed gevallen? Ik boog met mijn bijna uit elkaar spattende hoofd voorzichtig rechts naar beneden, en zag mijn bril inderdaad liggen: op het nachtkastje. Ik draaide mijn hoofd weer voorzichtig naar links, en mijn bril verdween. Ik tilde mijn hand naar de rechterkant van mijn gezicht. Mijn hand verdween. Ik liet mijn hand weer zakken en hij kwam weer in beeld. “Kut, ik zie geen fuck” dacht ik, waarna een ijzige kalmte zich van mij meester maakte, en ik, voorzichtig doch beslist, de deur uitliep, de deur op slot deed, mijn sleutel goed opborg in mijn tas en richting de bushalte schuifelde.

Hoe absurd het is dat ik in deze toestand geen ambulance gebeld heb, maar daarentegen met de bus en de tram naar de huisarts gegaan ben, waarna ik met de taxi naar het ziekenhuis gebracht ben, en daar ook nog 2 kilometer verkeerd gelopen ben voordat ik uiteindelijk bij de Spoedeisende Hulp belandde, realiseerde ik me pas vele dagen later.

Eenmaal op de Spoedeisende Hulp stelde de verpleegkundige de juiste vragen, waarna ik me realiseerde dat ik, fuck, toch een herseninfarct gehad had, en dat dat meer dan 6 uur geleden was. Ik werd uitgebreid onderzocht, vol pillen gemikt, naar de Medium Care gerolstoeld en daar op bed gelegd, van 2 infusen, 1 meetlijn en 16 stickers met monitorlijnen voorzien en aangesloten op de machines. Dat bed stond precies op de plek waar jaren eerder, voor de verbouwing, mijn bureau had gestaan. Het uitzicht ’s avonds was precies hetzelfde als het uitzicht om kwart voor 8 ’s ochtends.

Na uitvoerig onderzoek bleek ik een hypertensieve crise te hebben, dat is dokterstaal voor in mijn geval twee keer de bloeddruk van een normaal mens. Die hypertensieve crise had dus een herseninfarct veroorzaakt, met afasie (dat is dat je moeite hebt met praten), partiële blindheid en niet kunnen lezen tot gevolg. Ook had ik een aortaverwijding, een hartspierverdikking en een hartklepverschuiving. En mijn nieren waren er flink beroerd aan toe. Het kostte 10 dagen, 7 gesneuvelde infusen en een traumatische middernachtelijke terugkeer naar de Medium Care voordat ze me weer voldoende op de been hadden om het ziekenhuis te verlaten.

Dit is het punt waarop iedereen denkt: “Nou, mooi! Je kunt weer zien en praten, bloeddruk is weer acceptabel, je kunt weer verder met je leven!” En dat is dus niet zo. Er volgden maanden van ziekenhuisbezoeken, onderzoeken, medicatiewissels, apotheekgezeur, nachtmerries waaruit ik gillend wakker werd omdat ik dacht dat er nog steeds 19 snoeren en infusen uit me staken, EMDR-therapie om die nachtmerries een beetje te verwerken, medicatieverlagingen en bijwerkingen.

Bijwerkingen. Het klinkt vriendelijk, bijna gezellig. In mijn geval bestonden die bijwerkingen uit vocht vasthouden tot het punt dat mijn benen continu pijn deden, eruitzagen als boomstronken, er bloedvaatjes spatten en ik door de druk van het vocht zelfs Meralgia Paresthetica ontwikkelde. Dat betekent letterlijk “pijnlijke tinteling van het bovenbeen”, maar voelt in de praktijk alsof iemand een gasbrander op je beide bovenbenen zet. En dan niet zo’n klein handmodel, maar zo’n grote waarmee je bitumen op je dak kunt plakken. Toen deze ellende door een medicatiewissel na 2 maanden eindelijk af begon te nemen, kreeg ik gordelroos. In de tussentijd was ik elke twee weken 10 dagen ongesteld (ja, dit klopt) omdat ik vanwege het Young Stroke Protocol geen anticonceptiepil meer mocht slikken omdat het oestrogeen bevat, waardoor ik uiteraard bloedarmoede kreeg. Overigens leerde een simpel rondje Google me dat er gewoon een oestrogeenvrije anticonceptiepil bestaat (Cerazette, ook wel bekend als de “minipil”), iets wat geen van mijn behandelend artsen wist. Ach, ze kunnen ook niet alles weten, en het zorgde ervoor dat ik het vakje “Patiënt is betrokken bij haar behandeling” ook af heb mogen kruisen.

Ik schrijf dit overigens allemaal niet voor de “Oh wat zielig!”, maar om de ernst van de nasleep duidelijk te maken. En om hopelijk begrijpelijk te maken waarom ik volledig uit mijn plaat ging toen na een jaar van deze ellende nota bene een therapeute tegen mij zei: “Maar waarom zit je daar nog zo mee, met dat infarct? Dat is toch voorbij?”

Zelfs nu, 5 jaar later, is het nog niet “voorbij”. Ik heb het geluk gehad dat ik in een land woon waar ik een ziektekostenverzekering heb, dat ik in een stad woon waar een meer dan uitstekend academisch ziekenhuis zit, dat ik meer dan uitstekend behandeld ben. Ik heb geluk gehad dat mijn lichaam gereageerd heeft op de behandelingen, en zich voor zover mogelijk hersteld heeft. Mijn herstel is wel eens “miraculeus” genoemd, en hoewel ik snap dat het voor een dokter leuk is om dat te zeggen, voelt het niet zo.

Ik zal de rest van mijn leven medicatie moeten slikken en onder controle moeten blijven. Alle problemen die ik voor het infarct had, zijn exponentieel verergerd, en ik heb er een flink aantal bijgekregen. Al mijn angsten, die ondanks veel gemanage toch nog flink waren (ik heb een gegeneraliseerde angststoornis), rezen de pan uit en het heeft me veel moeite gekost om die weer op een redelijk peil te krijgen. Ook de eetstoornis die ik al decennialang in diverse variaties af en aan heb, kwam met volle kracht terug. Hoewel ik ook daar ondertussen 4 jaar behandeling voor ondergaan heb, ben ik ook wat dat betreft niet op het punt waarop ik had willen en moeten zijn. Correctie: op het punt waarop ik had kunnen zijn, als ik dat infarct niet gehad had.

Op 1 maart 2016, de dag dat ik het infarct kreeg, was ik na een lange moeizame studietijd eindelijk nog maar 1 scriptie verwijderd van een bachelor diploma Engels, de toelating voor de master Creative Writing in Kingston upon Thames (UK) was al in the pocket. Door het infarct en de nasleep heeft het echter tot november 2019 geduurd voordat die scriptie eindelijk af was. Ik schaamde mij daar dusdanig voor (Want ik was toch “miraculeus genezen”? Ik was toch niet dom?), dat ik in de tussenliggende jaren sommige mensen die maar bleven vragen verteld heb dat ik afgestudeerd was. Omdat het ontzettend vermoeiend is om je niet te verlullen, meed ik die mensen daarna zoveel mogelijk.

Die master Creative Writing waar ik voor aangenomen was, is natuurlijk ook niet doorgegaan, en nu met de collegegeldverdubbeling door Brexit zit dat er ook niet meer in. Natuurlijk, er zijn ergere dingen op aarde, maar die master Creative Writing was de reden dat ik die bachelor Engels ben gaan doen, en het proberen te doen van die BA Engels met die absurde studielast is er mede de oorzaak van dat ik fysiek ingeklapt ben en het infarct gehad heb. Over zuur gesproken.

Mijn kleine kring is, zoals na elk trauma, kleiner geworden en er is niemand bijgekomen, want waar moest ik het de afgelopen jaren in godsnaam over hebben? Ook had ik op een gegeven moment 4 specialisten en 5 therapeuten, ik was aan het einde van de week wel uitgeluld. Pas begin 2020 kwam er wat ruimte in mijn kalender en in mijn hoofd, en toen kwam de pandemie. Nu heeft niemand elkaar nog wat te vertellen.

Voor de mensen die “kleine kring” lezen en nu denken: “Lotgenotencontact, is dat geen goed idee?” Nee. Ik heb het dusdanig moeilijk met mezelf, dat ik geen contacten aan wil en kan gaan die puur gebaseerd zijn op (al dan niet gedeeld) leed. Ik weet dat er mensen zijn voor wie het een uitkomst is en die er veel troost en steun uit halen, maar ervaringen uit het verleden hebben mij geleerd dat ik er niet aan moet beginnen.

Waarmee we komen op Andere Mensen. Andere mensen, en dan met name de omgang met andere mensen, heb ik altijd al moeizaam gevonden. Ik kan prima kletspraatjes houden en ben ook echt heel gezellig, maar zodra het meer wordt dan dat, wordt het lastig voor me. Iets met grenzen en weten wie ik bent en assertiviteit en zo. Zie ook: waarom ik niet aan lotgenotencontact moet beginnen.

Van niet-zieke mensen krijg je een poosje respijt en medelijden, maar al snel is het “Klaaaaar! Oooover!”. Dan moet je weer gewoon gezond en normaal zijn, en mag je er geen last meer van hebben. Integendeel: het moet iets zijn waar je dankbaar voor bent, wat je iets geleerd heeft, wat je een beter mens gemaakt heeft. De toxic positivity tiert welig in de huidige maatschappij. Misschien vind ik dat nog wel het ergste, dat men verwacht dat ik er een leuk verhaal over heb, dat ik een les geleerd heb, dat ik een happy ending voor ze heb. Dat dit infarct niet gewoon iets heel erg vervelends mag zijn dat mij is overkomen, iets wat mijn leven volkomen van koers geramd heeft. Dat ik verplicht word het te verpakken tot iets wat geschikt is voor publieke consumptie. En dat ik dat dan ook vaak, nee, meestal doe.

De waarheid is niet wat mensen willen horen, en ik heb geen zin in de pijnlijke blikken, geen zin om meteen een buitenstaander te zijn. Dus ik houd de schijn op, en lieg de werkelijkheid een flink stuk mooier. Creative writing, zullen we maar zeggen. Ik glimlach vriendelijk en zeg “Dank je!”, als mensen opmerken dat ik “Zó positief en veerkrachtig ben”. Ik ben helemaal niet positief en veerkrachtig. Ik was vroeger danser, ik ben professioneel. Dansers hebben geen pijn en janken niet op podia, dansers laten het er makkelijk uitzien voor publiek. Waar ik nu niet meer optreed op podia, treed ik op in het dagelijks leven.

Ik heb meerdere keren mensen die mij nauwelijks kennen getroost met het feit dat IK een herseninfarct gehad heb. Laat die even tot je doordringen. Ik doe net alsof bepaalde mensen uit het verleden volkomen normaal tegen me doen, alsof ik niet merk dat ze zich raar ongemakkelijk en gespannen gedragen in mijn bijzijn. Alsof ze niet doen alsof ik besmet of zelfs besmettelijk ben. Alsof ik vergeten ben dat ze me ooit “briljant, fantastisch, geweldig” vonden. Maar dat was natuurlijk voor het infarct, toen er nog wat te halen viel. Nu heb ik natuurlijk geen nut meer en heb ik afgedaan. Overigens heb ik liever een herseninfarct dan zo’n klotepersoonlijkheid en bijbehorende schijtmanier van met mensen omgaan, maar dat geheel terzijde.

De ongemakkelijkheid steekt. Ik wil altijd brullen “Oh, JIJ hebt het er moeilijk mee? Hoe denk je dat het voor mij is? Het zijn mijn fucking hersens die eruit zien alsof er een schot hagel op gelost is!” Ook mensen die overdreven “steunend” gaan doen, zo van “Je niet laten kisten hoor, meid! Komt helemaal goed!” terwijl ze gauw van me weglopen, irriteren me. Dat bezweren van hun eigen ongemakkelijkheid, ik kan er zo slecht tegen.

Ik heb mezelf in het verleden een semi-poëtische bui wel eens de liefdesbaby van de Rocket Man en Major Tom genoemd, maar sinds het infarct voel ik me voornamelijk Major Tom, floating in my tin can, zeker in interacties met andere mensen. Ik kan wel stellen dat de fundamentele eenzaamheid, die ik me al zo lang als ik me kan herinneren ervaar, er niet minder op geworden is. En die verdwijnt niet door een middagje shoppen met vriendinnen. Ook het gevoel dat ik mijn leven compleet verspild heb, en op elke mogelijke manier gefaald heb, laat me maar niet los.

Mijn leven heeft altijd al als een lange wedstrijd gevoeld waar ik me niet voor ingeschreven heb en waarbij ik bij de start al achter de meute aansukkelde. Elke keer dat ik in de buurt van de rest dreigde te komen, zakte ik weer terug, en op het moment dat ik met bovenmenselijke inspanning eindelijk in de buurt van de kopgroep kwam, ben ik gestruikeld. Iedereen passeert me, druk met hun eigen race. Op een gegeven moment is de wedstrijd over, iedereen is naar huis. En ik lig er nog. Iemand loopt voorbij en zegt: “Volgende keer beter! Positief blijven! Komt goed!” maar laat me verder heftig bloedend aan mijn lot over.

Iedereen is verder gegaan en ik zweef door de ruimte, me dagelijks afvragend of het nou zo erg zou zijn geweest als ik toen doodgegaan was. En mijn conclusie is tot nu toe nog altijd “Nee”.

6

En toen was het maart 2021

by

In tegenstelling tot wat sommigen na deze blogpost aannamen, ben ik niet gestopt met bloggen. Ik had slechts een klapper van een writer’s block en dat terwijl ik helemaal niet in writer’s block geloof. Althans, ik geloofde niet in writer’s block. Vroeger, toen ik ook niet geloofde dat ik ooit bijna een vol jaar voornamelijk thuis zou zitten vanwege een pandemie. Vroeger, toen ik ervan overtuigd was dat niemand die ik kende zich ooit zou aansluiten bij iemand als, en ik quote, “die feitenvrije fucker van Viruswaarheid met die bos cultural appropriation op z’n hoofd”, maar zoals we dat in het Amsterdams zeggen: here we are.

Het is niet dat ik niks te melden heb, integendeel. In normale omstandigheden neemt nadenken al een flink deel van mijn tijd in, maar nu ik 99% van de tijd thuis mijn tijd doorbreng met Willa, doe ik weinig anders meer. Ja, ik doe cursussen om mijn hersens niet volkomen te laten verweken wat nieuwe kennis en vaardigheden op te doen, ik werk noest door aan het boek dat ik niet wil schrijven en ik ruim wel eens wat uit en/of op, maar dat zijn nou niet echt gedachtenstoppende activiteiten. Dat nadenken gaat gewoon op een tweede spoor door. Genoeg te schrijven, zou je zo denken. Klopt, maar de praktische uitvoering daarvan is nogal complex.

Veel van wat ik overdenk, is namelijk niet voor publieke consumptie geschikt. Die dingen schrijf ik in mijn dagboek en die lees ik regelmatig door in de hoop er iets van te kunnen bakken dat ik met de wereld kan delen. Ik heb vooral veel vragen, zowel praktisch als over de menselijke aard, als over de wereld. Ik heb er maar een puntenlijstje van gemaakt:

  • Wanneer krijg ik een prik?
  • Waarom kan geen enkele zorgprofessional (nee, zelfs niet mijn super fancy mega-super-specialist in dat internationaal als hoogwaardig bekend staande niet nader te noemen academische ziekenhuis aan de rand van Amstelveen) me vertellen wanneer ik gevaccineerd word
  • Waarom is iedereen het roerend met me eens dat dit volkomen ridicuul is en verandert er desondanks helemaal niks?
  • Wordt de wereld ooit weer “normaal”?
  • Wat is “normaal” eigenlijk?
  • Waren mensen altijd al…zo, en heb ik iets gemist, en zo ja, wat dan?
  • Gaan die vlagen van diepe, diepe haat die ik na een jaar pandemie voel jegens bepaalde medemensen met verpletterend onlogische opvattingen ooit weer voorbij?
  • Hoe ben ik losgeraakt van het leven en hoe haak ik weer aan?
  • In hoeverre kan ik de pandemie de schuld geven?
  • In hoeverre is dat losraken iets wat al lang geleden begonnen is?
  • Kan ik nog aanhaken?
  • Wil ik nog wel aanhaken, en zo ja, op welke manier en onder welke voorwaarden?
  • Want wie ben ik eigenlijk tegenwoordig en, heel belangrijk, waarom?

En dan zijn er natuurlijk ook nog De Levenskwesties als:

  • Hoeveel parfum kan een mens hebben?
  • Zal mijn kantoor ooit normaal betreedbaar zijn?
  • Wanneer stop ik nou eindelijk eens met schrijven?
  • Zijn de robots van Daft Punk nog wel vrienden?
  • Hoe kwam Willa toch aan die wokkelvormige snorhaar?
  • En de belangrijkste van allemaal (en dit is er eentje speciaal voor de mensen die mij al volgen sinds het jaar kruik): wat moet ik met mijn haar?

U krijgt wel een beeld, denk ik zo.

Omdat ik nogal moe word van al dat Denken en dat Schrijven in mijn Dagboek, heb ik besloten maar weer wat schrijverij de ether in te slingeren. Het grote voordeel van Schrijven voor Publiek is namelijk dat ik tot een mening kom. Het is net als met een muntje opgooien: dat werkt 100% omdat je 99,9% van de tijd, op het moment dat het muntje de lucht in gaat, denkt “Ik hoop dat het dit wordt”. En in de resterende tijd werkt het omdat het je dus geen reet kan schelen wat het wordt en de beslissing voor je gemaakt wordt, dus dan is je twijfel ook opgelost.

Dus in het kader van “Daag jezelf eens uit”, en ook een beetje om De Tijd Tot De Prik Mentaal Een Beetje Niet Compleet Geschift Door Te Komen, ga ik dan ook vanaf eh, nu drie keer per week een blogpost posten, totdat of de pandemie over is, of de wereld vergaat, of de map “Nog te plaatsen stukken” leeg is. Ik ben benieuwd wat er het eerst gebeurt.

5

Een aflopende zaak

by

Ooit, op een blog hier ver vandaan, schreef ik over “De Herfstigheid”. Dat omschreef ik toen als “het feit dat alles waar je aan gehecht bent, verdwijnt of op zijn einde loopt, zonder dat je daar iets aan kunt doen”. Dit is er de soundtrack van:

Ik zit er alweer een paar maanden middenin, in die Herfstigheid. Dat heeft natuurlijk te maken met de pandemie: 2020 zou het jaar zijn waarin in de laatste paar dingen af zou sluiten en allerlei nieuwe dingen zou gaan opstarten. Van dat laatste is minder dan niets terechtgekomen.

Ook is het zo dat omdat ik 99% van de tijd thuis zit en behalve bij dokter, fysio en/of tandarts nergens meer kom, mijn contextgebonden contacten bijna tot nul gereduceerd zijn. Je weet wel, die praatjes met een buurvrouw op straat, of bij de bushalte (ik noem het dan ook wel eens “bushaltecontacten”), of met de caissière van de HEMA.

Aangezien ik op dit moment in mijn leven al een poosje geen collega’s of medestudenten meer heb, en in de loop der jaren ook de hoeveelheid familie, vrienden en kennissen gedecimeerd is van “redelijk weinig” naar “op 1 hand te tellen”, vervulden deze kletspraatjes met soms wildvreemden een belangrijke rol in mijn sociale leven.

Als ik nu 1 keer per maand iemand in het OV spreek is het vaak, en zelfs dan is het niet zoals vroeger: het gaat alleen nog maar over Corona. Begrijpelijk, maar vermoeiend. Eigenlijk is het internet, en dan meer specifiek Instagram, momenteel mijn enige bron van bushaltecontact.

Sowieso is het internet al heel lang een plek waar ik, onafhankelijk van mijn status in de IRL wereld, met relatief weinig moeite met veel mensen in contact kon blijven en van gedachten kon wisselen. Ik heb daarom lang ontkend wat ik al een kleine twee jaar langzaam zie gebeuren: Instagram is aan het uitdoven.

Ik “zit” al sinds 1996 op het internet, en heb de opkomst en ondergang van vele websites, fora, en social media platformen meegemaakt, ik herken de tekenen. Geen nieuwe volgers meer, de interactie wordt minder, de likes nemen af, mensen posten minder, de communicatie verplaatst zich naar direct messages, mensen loggen niet meer in, mensen verwijderen hun accounts.

Op dit moment bestaat 95% van mijn timeline uit reclame en “voorgestelde berichten”, er is nog ietwat persoonlijke activiteit in de instastories, maar ook dat neemt af. Natuurlijk speelt de pandemie hierbij een rol, maar de neerwaartse spiraal is al ruim voor Corona ingezet. Aan het begin van de lockdown (maart/april) was er een kleine opleving, maar daarna is de activiteit weer snel afgenomen.

Voor wie nu denkt: “Op mijn timeline is niets aan de hand!”: dat kan. Het hangt af van wanneer jouw vrienden/interactieve volgers ermee kappen. Zo zijn er blijkbaar nog steeds mensen die super (inter)actief zijn op Twitter, terwijl ik eind 2012 stopte omdat ik het al meer dan een jaar schijtzat was om voornamelijk in de ruimte en/of tegen mezelf te lullen. En waar ik toen overstapte op Tumblr, en daarna op Instagram, is er nu… niks.

Jarenlang is er altijd een nieuwe website, een nieuw forum of een nieuw platform geweest waar ik naar kon overstappen. Ik ben tijdens die doorstroom naar andere platformen helaas ook mensen bij kwijtgeraakt, maar een “harde kern” verhuisde mee. Deze keer echter, is er geen nieuw platform. Ja, TikTok, maar ik ben 45 jaar oud en mijn dansante dagen liggen VER achter me. Sowieso is dat een platform gericht op kinderen, want die zijn de toekomst(ige consumenten).

De pijnlijke realiteit is dat er met het einde van Instagram niet alleen een einde gaat komen aan mijn tijd op het internet, maar ook aan contacten met mensen wier levens ik jarenlang (sommigen bijna 20 jaar!) gevolgd heb en vice versa.

“Spreek dan in het echt af!” hoor ik al roepen. Dat is in sommige gevallen onmogelijk, wegens halve werelden afstand of elkaar alleen onder pseudoniem kennen. #oldschool Maar zelf als dat niet het geval is, acht ik de kans nul dat er offline contact gaat plaatsvinden. Mijn ervaring is namelijk dat er toch een tijdraam is waarbinnen dat offline contact na eerste online kennismaking moet plaatsvinden, zeker als je dicht bij elkaar in de buurt woont. Als je op 20 minuten van elkaar vandaan woont, maar in 10 jaar tijd niet afspreekt (of tot een afspraak komt), dan gebeurt het niet meer.

Wat dat betreft zijn jarenlange online vriendschappen waarbij er geen IRL voortzetting plaatsvindt vergelijkbaar met andere contextgebonden contacten: denk aan die leuke mensen op vakantie, of je collega van kantoor, of die aardige buurvrouw. Zodra je weer terug bent van vakantie, of ergens niet meer werkt, of verhuist, stopt het contact meestal. Het is maar heel zelden dat er buiten die context een gemeenschappelijke grond is waarop de vriendschap voortgezet kan worden.

Dit wil uiteraard niet zeggen dat contextgebonden vriendschappen geen betekenis hebben of niet waardevol zijn, integendeel. Ik zie mijn online contacten niet wezenlijk anders dan mijn offline contacten, hoe vreemd dat volgens sommigen ook mag zijn.

Vanaf het moment dat het internet veranderde in een advertentiekanaal heb ik geweten dat er ooit een moment zou komen waarop ik officieel “te oud” zou zijn om nog een doelgroep te zijn voor eh, wie dan ook, en dat dat het einde zou betekenen van online life as I know it. Toch vind ik het hartverscheurend dat dat moment nu dichterbij is dan ooit.

6