Tag Archives Persoonlijk

De Studie (deel 2)

by

Deel 1 staat hier

Al snel bleek dat “Nooit Meer Een Fuck Doen” nogal tegenviel. Zeker op het moment dat duidelijk werd dat die pandemie wat langer zou duren dan de voorspelde twee weken, realiseerde ik me dat “Nooit Meer Iets Doen” op de lange termijn gewoon niet houdbaar is.

Misschien was het anders geweest als ik een groot gezin had, een gigantische familie en hordes vrienden, maar die heb ik nu eenmaal niet. En zelfs als ik die wel gehad had, de meeste mensen hebben echt wel iets beters te doen met hun leven dan de hele dag iemand vermaken die geen barst uitvoert. Of ik het wilde of niet, ik moest iets nieuws verzinnen.

Iets nieuws verzinnen was niet makkelijk, omdat mijn interesses nogal beperkt zijn: katten, klassiek ballet, zines en andere tijdschriften, tentoonstellingen, concerten, keramiek, en Funda, dan heb je het wel gehad. Bovendien verkeerde ik in haast catatonische staat door de doodsangst dat ik met Corona besmet zou worden en daar niet fris uit zou komen. Desondanks maakte ik een middelgroot werkproject af, deed in een vlaag van verstandsverbijstering zowaar twee keer mee aan een schrijfgroep (laten we het een terugval noemen) en volgde een aantal online cursussen om niet compleet door te draaien.

Dertien maanden na het begin van deze ellendige pandemie kreeg ik eindelijk mijn eerste vaccin. Nadenken over mijn toekomst bleek een heel stuk makkelijker toen ik niet continu in letterlijke doodsangst verkeerde.

Tijdens het lezen van de wekelijkse ARCAM nieuwsbrief schoot de gedachte “Als ik mijn leven over mocht doen, dan werd ik architectuurhistoricus” door mijn hoofd. Hoewel ik ervan overtuigd was dat je daarvoor minstens een architectuuropleiding gevolgd moest hebben, sloeg ik aan het googelen. Ik ontdekte dat ik met mijn BA Engels en een minor Architectuur en Stedenbouw toelaatbaar was tot de MA Stadsgeschiedenis. Ik kon ook een pre-master Geschiedenis doen, maar ik vreesde dat ik daarmee niet voldoende vakspecifieke kennis zou opdoen om door de master heen te komen.

De beslissing om de minor Architectuur en Stedenbouw te doen blijkt tot nu toe een goede te zijn geweest, want ik ben al over de helft. De drie vakken van het eerste semester zijn binnen, ik sluit deze week hopelijk vak nummer vier af, en dan is er nog een vak te gaan. Het gaat echt in een razende vaart, deels omdat 8-8-4 zelfs in deeltijd een bizar tempo is, maar ook omdat dingen gewoon… geregeld zijn? Ik ben niet langer 40 – 60 procent van mijn tijd bezig met het managen van mijn studieprogramma, ik kan me beperken tot de inhoud. Wat ook anders is, is dat ik na een lang leven van onsuccesvol overachieven, ik tegenwoordig het minimale doe. Al is dat best even wennen.

5

De Studie

by

Toen ik tien jaar geleden opnieuw ging studeren, had ik een plan: eerst een bachelor Engels halen, en dan kijken of er tegen die tijd een Master Creative Writing in Nederland opgestart zou zijn, en zo ja, die doen.

Tenminste, ik dacht dat dat mijn plan was. Pas achteraf realiseerde ik me dat ik – diep van binnen – ook andere verwachtingen had: mijn studie zou het leukste EVER zijn en al mijn eerdere, schijt-tot-matige studie-ervaringen uitwissen, ik zou ontdekt worden als het grootste structuralisme-genie sinds Foucault en ie-de-reen zou dol op me zijn. Deze studie zou alles wat er ooit fout gegaan was in mijn leven goedmaken, daar was ik diep in mijn hart van overtuigd.

Geen wonder deze studie vrijwel van A tot Z een diepe teleurstelling bleek.

Pas sinds een paar jaar weet ik dat dit soort kinderlijke wensen en gedachten vaker voorkomen bij mensen van wie het leven niet gelopen is zoals ze graag gewild hadden. Kinderen die gepest worden bijvoorbeeld, zijn volkomen machteloos om hun situatie zelfstandig te veranderen, wat men ook mag beweren. Vaker dan niet houden ze zichzelf overeind met dingen als “Later als ik groot ben, dan zal ik iedereen laten zien dat ik [vul iets uitzonderlijk bijzonders in]”. Begrijpelijk, als niemand je serieus neemt en het structurele, tot op het bot toe kwetsende gepest wordt afgedaan als “beetje plagen” en “het ligt ook wel een beetje aan jou natuurlijk”: daar moeten dan wel delusions of grandeur tegenover gezet worden om je ego een beetje intact te houden en niet op je tiende al van het dak te springen.

Daarnaast is er vanuit de maatschappij in het algemeen en de media in het bijzonder een continue stroom aan succesverhalen. Mijn toenmalige terugkeer aan de universiteit viel samen met de hoogtijdagen van hustle culture: als je zo hard mogelijk, het liefst non-stop, werkt en vooral geen rust neemt (“You can sleep when you’re dead!”), is succes gegarandeerd. Natuurlijk neemt de kans dat je succesvol wordt toe als je ervoor werkt, maar er is geen enkele garantie dat jezelf half-dood werken tot succes leidt. Ik zou zelfs willen zeggen dat het tegendeel waar is.

Het stomme is dat ik dat ook voordat ik omkiepte al wel wist, maar me toch als een mot tot een lamp aangetrokken voelde tot dit extreme gedachtengoed. Iets met controle en de illusie van volledige maakbaarheid en zo. Daar komt ook nog bij dat ik allochtoon ben: succesvol zijn binnen ~academia~, en dan ook nog beter zijn dan iedereen, is het enige juiste wat je als kind van vluchtelingen kan doen om de misère een beetje goed te maken. Die verstikkende druk, die ik mijn hele leven gevoeld heb, heeft ook niet geholpen.

Feit is, dat geen enkele studie, en zeker niet eentje die je op je 35e om oneigenlijke redenen begint, ervoor gaat zorgen dat je dolgelukkig, mega-succesvol, en super geliefd wordt. Het leven is namelijk geen sprookje, waarin alles in 1 keer “Poef!” opgelost wordt.

Ook bleek de studie die ik deed zowel qua inhoud als qua manier van aanbieden (in een moordend tempo continu veel te veel te veel kleine stukjes stof) niets voor mij te zijn. Ik had er gewoon in week vier mee moeten stoppen, dat had me een hoop geld, tijd, energie, mentale en ook fysieke ellende bespaard. Helaas zat ik zo verschrikkelijk vast in die Quitters are losers-mindset, dat mijn “Get a BA or die trying!” bijna letterlijk een die trying werd.

De enige reden dat ik na mijn herseninfarct mijn scriptie uiteindelijk toch afgeschreven heb, was puur vanwege de sunk cost fallacy. En de Noord-Zuidlijn. Die bleek ook best nuttig toen hij na jaren vertraging en een exorbitante budgetoverschrijding toch opgeleverd werd. Voor de optie op een vervolgstudie deed ik het overigens niet, want toen ik afstudeerde, was er nog steeds geen MA Creative Writing in Nederland, en de MA Creative Writing die ik op afstand in de UK zou gaan doen, werd door BREXIT onbetaalbaar.

En waar ik in publiekelijk (ook op dit blog) wat sociaal wenselijk blaatte dat ik “Even een jaar ging kijken wat ik met mijn verdere leven ging doen”, had ik, met mijn Oostblokgen, natuurlijk al lang een plan: ik zou NOOIT MEER EEN FUCK DOEN. Nooit meer. Niks, nakkes, nada. Geen fuck, geen ass, geen reet. Ik vond dat ik in mijn leven wel genoeg gedaan had, met nul komma nul resultaat, dus ik ging er gewoon maar eens mee ophouden, met dat doen.

Toen begon de pandemie.

***

Deel twee volgt morgen!

6

Het infarct

by

Noot van de auteur: ik schreef de eerste versie van deze blogpost in februari 2019, bijna 3 jaar na mijn herseninfarct. Die versie heb ik toen niet gepost, omdat ik van mening ben dat het bij dit soort persoonlijke en intense materie beter is om te wachten tot ik er – in tijd, fysiek en/of emotioneel – wat verder van afsta. Nu, twee jaar na die eerste versie, sta ik er inderdaad wat verder van af. Desondanks heb ik lang getwijfeld of ik überhaupt over dit onderwerp moest posten, want het is geen leuk verhaal en ik kan er ook geen leuk verhaal van maken. Ik heb uiteindelijk besloten om het wel te doen, juist omdat het geen leuk verhaal is.

Zowel de media als de maatschappij oefenen namelijk een enorme druk uit om verhalen over ziekte en “genezing” in een bepaalde verhaalstructuur te persen, die nog het meest wegheeft van een sprookje: het is even heel naar, maar daarna krijgt Els (of Marie, of Peter) alle hulp en steun. Alle problemen die Els ooit had, hoe langdurend of ingrijpend ook, raken opgelost. Els krijgt allemaal diepe inzichten die ze nooit eerder had, en het komt niet alleen moeite- en bijwerkingsloos goed met Els, nee, Els’ leven wordt NOG BETER dan het al was! Tot slot concludeert Els dat haar ziekte of ongeval het beste is wat haar ooit had kunnen overkomen en dat ze het voor geen goud had willen missen. Ik snap best dat dit soort verhalen de lezer/toehoorder een fijn opgelucht gevoel geeft, maar het doet in het merendeel van de gevallen geen enkel recht aan de realiteit. Door mijn verhaal te vertellen, wil ik me nadrukkelijk distantiëren van die opgelegde toxisch positieve narrative die ook mij al jaren impliciet en expliciet opgedrongen wordt.

Ik post dit ook in de hoop dat anderen, ziek of niet-ziek, er iets aan hebben. Ik hoop dat mijn verhaal stof tot nadenken verschaft, of allicht bevestigt dat als het op bepaalde ervaringen en gevoelens aankomt, je (wat deze situatie betreft helaas) nooit alleen bent.

Vandaag is het 5 jaar geleden dat ik in het ziekenhuis opgenomen werd met een herseninfarct. Dat is de korte versie. De langere versie is dat ik twee dagen eerder wakker werd met hoofdpijn en over moest geven. Dat vond ik vreemd, want de keren dat ik in mijn leven overgegeven heb, zijn op twee handen te tellen. Ook heb ik nooit hoofdpijn. Door mijn hoofd schoot “Volgens mij heb ik een herseninfarct”, wat minder vreemd is als je weet dat ik jarenlang op de Afdeling Neurochirurgie heb gewerkt. Ik deed in mijn badkamerspiegel de FAST check: hoe ik mijn gezicht ook vertrok, het bleef symmetrisch. Ik tikte met mijn ogen dicht mijn neus aan: ging ook prima. Ik zwaaide met mijn beide armen boven mijn hoofd heen en weer: geen enkel probleem. Ik zei: “Australopithecus”, keek naar mijn wenkbrauwen in de spiegel en dacht: “Meer Cro-Magnon” en moest lachen. Ondertussen masseerde ik mijn achterhoofd, en de pijn trok weg, dus ik concludeerde: niks geen herseninfarct, gewoon verkeerd gelegen en ergens een virus gevangen. Ik was in die dagen gemiddeld om de drie weken ziek, dus ik besloot weer in bed te gaan liggen en te wachten tot het overging.

Op dag 2 leek het inderdaad beter te gaan, maar op dag 3 voelde ik me dusdanig slecht dat ik wist: dit is mis. Dit is heel erg mis. Denken ging moeilijk, praten ging moeilijk, ik stootte overal tegenaan. Ik moest naar de huisarts en die zou me naar het ziekenhuis sturen, dus ik pakte alvast een weekendtas in. Toen ik mijn bril van mijn nachtkastje wilde halen, kon ik hem niet vinden, terwijl ik zeker wist dat ik hem daar had neergelegd. Misschien was hij onder het bed gevallen? Ik boog met mijn bijna uit elkaar spattende hoofd voorzichtig rechts naar beneden, en zag mijn bril inderdaad liggen: op het nachtkastje. Ik draaide mijn hoofd weer voorzichtig naar links, en mijn bril verdween. Ik tilde mijn hand naar de rechterkant van mijn gezicht. Mijn hand verdween. Ik liet mijn hand weer zakken en hij kwam weer in beeld. “Kut, ik zie geen fuck” dacht ik, waarna een ijzige kalmte zich van mij meester maakte, en ik, voorzichtig doch beslist, de deur uitliep, de deur op slot deed, mijn sleutel goed opborg in mijn tas en richting de bushalte schuifelde.

Hoe absurd het is dat ik in deze toestand geen ambulance gebeld heb, maar daarentegen met de bus en de tram naar de huisarts gegaan ben, waarna ik met de taxi naar het ziekenhuis gebracht ben, en daar ook nog 2 kilometer verkeerd gelopen ben voordat ik uiteindelijk bij de Spoedeisende Hulp belandde, realiseerde ik me pas vele dagen later.

Eenmaal op de Spoedeisende Hulp stelde de verpleegkundige de juiste vragen, waarna ik me realiseerde dat ik, fuck, toch een herseninfarct gehad had, en dat dat meer dan 6 uur geleden was. Ik werd uitgebreid onderzocht, vol pillen gemikt, naar de Medium Care gerolstoeld en daar op bed gelegd, van 2 infusen, 1 meetlijn en 16 stickers met monitorlijnen voorzien en aangesloten op de machines. Dat bed stond precies op de plek waar jaren eerder, voor de verbouwing, mijn bureau had gestaan. Het uitzicht ’s avonds was precies hetzelfde als het uitzicht om kwart voor 8 ’s ochtends.

Na uitvoerig onderzoek bleek ik een hypertensieve crise te hebben, dat is dokterstaal voor in mijn geval twee keer de bloeddruk van een normaal mens. Die hypertensieve crise had dus een herseninfarct veroorzaakt, met afasie (dat is dat je moeite hebt met praten), partiële blindheid en niet kunnen lezen tot gevolg. Ook had ik een aortaverwijding, een hartspierverdikking en een hartklepverschuiving. En mijn nieren waren er flink beroerd aan toe. Het kostte 10 dagen, 7 gesneuvelde infusen en een traumatische middernachtelijke terugkeer naar de Medium Care voordat ze me weer voldoende op de been hadden om het ziekenhuis te verlaten.

Dit is het punt waarop iedereen denkt: “Nou, mooi! Je kunt weer zien en praten, bloeddruk is weer acceptabel, je kunt weer verder met je leven!” En dat is dus niet zo. Er volgden maanden van ziekenhuisbezoeken, onderzoeken, medicatiewissels, apotheekgezeur, nachtmerries waaruit ik gillend wakker werd omdat ik dacht dat er nog steeds 19 snoeren en infusen uit me staken, EMDR-therapie om die nachtmerries een beetje te verwerken, medicatieverlagingen en bijwerkingen.

Bijwerkingen. Het klinkt vriendelijk, bijna gezellig. In mijn geval bestonden die bijwerkingen uit vocht vasthouden tot het punt dat mijn benen continu pijn deden, eruitzagen als boomstronken, er bloedvaatjes spatten en ik door de druk van het vocht zelfs Meralgia Paresthetica ontwikkelde. Dat betekent letterlijk “pijnlijke tinteling van het bovenbeen”, maar voelt in de praktijk alsof iemand een gasbrander op je beide bovenbenen zet. En dan niet zo’n klein handmodel, maar zo’n grote waarmee je bitumen op je dak kunt plakken. Toen deze ellende door een medicatiewissel na 2 maanden eindelijk af begon te nemen, kreeg ik gordelroos. In de tussentijd was ik elke twee weken 10 dagen ongesteld (ja, dit klopt) omdat ik vanwege het Young Stroke Protocol geen anticonceptiepil meer mocht slikken omdat het oestrogeen bevat, waardoor ik uiteraard bloedarmoede kreeg. Overigens leerde een simpel rondje Google me dat er gewoon een oestrogeenvrije anticonceptiepil bestaat (Cerazette, ook wel bekend als de “minipil”), iets wat geen van mijn behandelend artsen wist. Ach, ze kunnen ook niet alles weten, en het zorgde ervoor dat ik het vakje “Patiënt is betrokken bij haar behandeling” ook af heb mogen kruisen.

Ik schrijf dit overigens allemaal niet voor de “Oh wat zielig!”, maar om de ernst van de nasleep duidelijk te maken. En om hopelijk begrijpelijk te maken waarom ik volledig uit mijn plaat ging toen na een jaar van deze ellende nota bene een therapeute tegen mij zei: “Maar waarom zit je daar nog zo mee, met dat infarct? Dat is toch voorbij?”

Zelfs nu, 5 jaar later, is het nog niet “voorbij”. Ik heb het geluk gehad dat ik in een land woon waar ik een ziektekostenverzekering heb, dat ik in een stad woon waar een meer dan uitstekend academisch ziekenhuis zit, dat ik meer dan uitstekend behandeld ben. Ik heb geluk gehad dat mijn lichaam gereageerd heeft op de behandelingen, en zich voor zover mogelijk hersteld heeft. Mijn herstel is wel eens “miraculeus” genoemd, en hoewel ik snap dat het voor een dokter leuk is om dat te zeggen, voelt het niet zo.

Ik zal de rest van mijn leven medicatie moeten slikken en onder controle moeten blijven. Alle problemen die ik voor het infarct had, zijn exponentieel verergerd, en ik heb er een flink aantal bijgekregen. Al mijn angsten, die ondanks veel gemanage toch nog flink waren (ik heb een gegeneraliseerde angststoornis), rezen de pan uit en het heeft me veel moeite gekost om die weer op een redelijk peil te krijgen. Ook de eetstoornis die ik al decennialang in diverse variaties af en aan heb, kwam met volle kracht terug. Hoewel ik ook daar ondertussen 4 jaar behandeling voor ondergaan heb, ben ik ook wat dat betreft niet op het punt waarop ik had willen en moeten zijn. Correctie: op het punt waarop ik had kunnen zijn, als ik dat infarct niet gehad had.

Op 1 maart 2016, de dag dat ik het infarct kreeg, was ik na een lange moeizame studietijd eindelijk nog maar 1 scriptie verwijderd van een bachelor diploma Engels, de toelating voor de master Creative Writing in Kingston upon Thames (UK) was al in the pocket. Door het infarct en de nasleep heeft het echter tot november 2019 geduurd voordat die scriptie eindelijk af was. Ik schaamde mij daar dusdanig voor (Want ik was toch “miraculeus genezen”? Ik was toch niet dom?), dat ik in de tussenliggende jaren sommige mensen die maar bleven vragen verteld heb dat ik afgestudeerd was. Omdat het ontzettend vermoeiend is om je niet te verlullen, meed ik die mensen daarna zoveel mogelijk.

Die master Creative Writing waar ik voor aangenomen was, is natuurlijk ook niet doorgegaan, en nu met de collegegeldverdubbeling door Brexit zit dat er ook niet meer in. Natuurlijk, er zijn ergere dingen op aarde, maar die master Creative Writing was de reden dat ik die bachelor Engels ben gaan doen, en het proberen te doen van die BA Engels met die absurde studielast is er mede de oorzaak van dat ik fysiek ingeklapt ben en het infarct gehad heb. Over zuur gesproken.

Mijn kleine kring is, zoals na elk trauma, kleiner geworden en er is niemand bijgekomen, want waar moest ik het de afgelopen jaren in godsnaam over hebben? Ook had ik op een gegeven moment 4 specialisten en 5 therapeuten, ik was aan het einde van de week wel uitgeluld. Pas begin 2020 kwam er wat ruimte in mijn kalender en in mijn hoofd, en toen kwam de pandemie. Nu heeft niemand elkaar nog wat te vertellen.

Voor de mensen die “kleine kring” lezen en nu denken: “Lotgenotencontact, is dat geen goed idee?” Nee. Ik heb het dusdanig moeilijk met mezelf, dat ik geen contacten aan wil en kan gaan die puur gebaseerd zijn op (al dan niet gedeeld) leed. Ik weet dat er mensen zijn voor wie het een uitkomst is en die er veel troost en steun uit halen, maar ervaringen uit het verleden hebben mij geleerd dat ik er niet aan moet beginnen.

Waarmee we komen op Andere Mensen. Andere mensen, en dan met name de omgang met andere mensen, heb ik altijd al moeizaam gevonden. Ik kan prima kletspraatjes houden en ben ook echt heel gezellig, maar zodra het meer wordt dan dat, wordt het lastig voor me. Iets met grenzen en weten wie ik bent en assertiviteit en zo. Zie ook: waarom ik niet aan lotgenotencontact moet beginnen.

Van niet-zieke mensen krijg je een poosje respijt en medelijden, maar al snel is het “Klaaaaar! Oooover!”. Dan moet je weer gewoon gezond en normaal zijn, en mag je er geen last meer van hebben. Integendeel: het moet iets zijn waar je dankbaar voor bent, wat je iets geleerd heeft, wat je een beter mens gemaakt heeft. De toxic positivity tiert welig in de huidige maatschappij. Misschien vind ik dat nog wel het ergste, dat men verwacht dat ik er een leuk verhaal over heb, dat ik een les geleerd heb, dat ik een happy ending voor ze heb. Dat dit infarct niet gewoon iets heel erg vervelends mag zijn dat mij is overkomen, iets wat mijn leven volkomen van koers geramd heeft. Dat ik verplicht word het te verpakken tot iets wat geschikt is voor publieke consumptie. En dat ik dat dan ook vaak, nee, meestal doe.

De waarheid is niet wat mensen willen horen, en ik heb geen zin in de pijnlijke blikken, geen zin om meteen een buitenstaander te zijn. Dus ik houd de schijn op, en lieg de werkelijkheid een flink stuk mooier. Creative writing, zullen we maar zeggen. Ik glimlach vriendelijk en zeg “Dank je!”, als mensen opmerken dat ik “Zó positief en veerkrachtig ben”. Ik ben helemaal niet positief en veerkrachtig. Ik was vroeger danser, ik ben professioneel. Dansers hebben geen pijn en janken niet op podia, dansers laten het er makkelijk uitzien voor publiek. Waar ik nu niet meer optreed op podia, treed ik op in het dagelijks leven.

Ik heb meerdere keren mensen die mij nauwelijks kennen getroost met het feit dat IK een herseninfarct gehad heb. Laat die even tot je doordringen. Ik doe net alsof bepaalde mensen uit het verleden volkomen normaal tegen me doen, alsof ik niet merk dat ze zich raar ongemakkelijk en gespannen gedragen in mijn bijzijn. Alsof ze niet doen alsof ik besmet of zelfs besmettelijk ben. Alsof ik vergeten ben dat ze me ooit “briljant, fantastisch, geweldig” vonden. Maar dat was natuurlijk voor het infarct, toen er nog wat te halen viel. Nu heb ik natuurlijk geen nut meer en heb ik afgedaan. Overigens heb ik liever een herseninfarct dan zo’n klotepersoonlijkheid en bijbehorende schijtmanier van met mensen omgaan, maar dat geheel terzijde.

De ongemakkelijkheid steekt. Ik wil altijd brullen “Oh, JIJ hebt het er moeilijk mee? Hoe denk je dat het voor mij is? Het zijn mijn fucking hersens die eruit zien alsof er een schot hagel op gelost is!” Ook mensen die overdreven “steunend” gaan doen, zo van “Je niet laten kisten hoor, meid! Komt helemaal goed!” terwijl ze gauw van me weglopen, irriteren me. Dat bezweren van hun eigen ongemakkelijkheid, ik kan er zo slecht tegen.

Ik heb mezelf in het verleden een semi-poëtische bui wel eens de liefdesbaby van de Rocket Man en Major Tom genoemd, maar sinds het infarct voel ik me voornamelijk Major Tom, floating in my tin can, zeker in interacties met andere mensen. Ik kan wel stellen dat de fundamentele eenzaamheid, die ik me al zo lang als ik me kan herinneren ervaar, er niet minder op geworden is. En die verdwijnt niet door een middagje shoppen met vriendinnen. Ook het gevoel dat ik mijn leven compleet verspild heb, en op elke mogelijke manier gefaald heb, laat me maar niet los.

Mijn leven heeft altijd al als een lange wedstrijd gevoeld waar ik me niet voor ingeschreven heb en waarbij ik bij de start al achter de meute aansukkelde. Elke keer dat ik in de buurt van de rest dreigde te komen, zakte ik weer terug, en op het moment dat ik met bovenmenselijke inspanning eindelijk in de buurt van de kopgroep kwam, ben ik gestruikeld. Iedereen passeert me, druk met hun eigen race. Op een gegeven moment is de wedstrijd over, iedereen is naar huis. En ik lig er nog. Iemand loopt voorbij en zegt: “Volgende keer beter! Positief blijven! Komt goed!” maar laat me verder heftig bloedend aan mijn lot over.

Iedereen is verder gegaan en ik zweef door de ruimte, me dagelijks afvragend of het nou zo erg zou zijn geweest als ik toen doodgegaan was. En mijn conclusie is tot nu toe nog altijd “Nee”.

8